Leven tussen hoop en vrees

Hoe gaat het met vluchtelingengezelschap uit Syrië en Eritrea dat begin oktober neerstreek in Amersfoort? Ze willen het graag vertellen en de samenleving wil het weten, maar de autoriteiten dulden geen pottenkijkers. AD Amersfoortse Courant was maandagavond ‘bij hoge uitzondering’ welkom om te praten met de mannen en vrouwen, die leven tussen hoop en vrees.

Klaslokaal 8 van de voormalige Anne Annemaschool is een kleine smeltkroes van culturen. Moslims, christenen, Syriërs, Koerden; ze lopen en liggen door elkaar en ze steunen elkaar door dik dun. Zo vreemd is dat niet voor een volk met 50 religies, roept de jonge  Michal in soepel Engels. De breedgeschouderde en hip gekapte  Syriër kan zijn echte naam niet geven. Zoals veel jongemannen uit zijn land vluchtte hij voordat het leger van Assad hem opriep. ,,Ik kan nooit meer terug naar mijn vaderland. Het is zo. Ik heb gekozen voor het leven en ben ontsnapt aan de dood. Dat geldt voor iedereen hier. Daarom vraag ik de regering: stop ons straks niet weg in containers. We zijn mensen, geen vee.’’

,,Hier’’, zegt  kamergenoot Aboe Jaouhir, terwijl hij zijn zwaar gehavende rug ontbloot. ,,Drie maanden ben ik vastgehouden en mishandeld door mijn ontvoerders. Totdat de familie losgeld betaalde. Ik was net getrouwd, maar ik moest vluchten. Ik mis mijn vrouw en mijn familie. Dat doet veel meer pijn dan mijn rug.’’ Zo rijgen de verhalen over de verschrikkingen van de oorlog, omgekomen familieleden, de barre tocht door Europa en de soms verloren hoop zich maandagavond aaneen in de Amersfoortse opvang. De jongemannen in lokaal 8 zwijgen uit respect als de wat oudere Abo Hisham (de man in gele jas op pagina 1) met behulp van de tolk het woord krijgt. Hij verloor zijn vrouw, zijn moeder en een dochter van 17 door toedoen van IS-strijders. Het scherm van zijn telefoon laat een foto zien van hun afgedekte lichamen. Abo scrollt verder, langs het graf van zijn dochter, een foto van het beeldschone
meisje met hoofddoek en een portret van haar drie jongere broers. Ze overleefden het geweld en wachten bij een familielid tot hun gevluchte vader ze naar het veilige Nederland kan halen. Abo’s hand beeft, tranen heeft hij niet meer. ,,Ik ben eigenlijk al dood van binnen. Maar voor mijn kinderen ga ik door. Ze lopen elke dag gevaar in Syrië. Daarom zijn we ongeduldig. Niet voor onszelf. Wij zijn hier en wij zijn veilig, maar wij vaders zijn niet het belangrijkste.’’

In de hal van de school legt ‘oma’ Willemijn Veltkamp  Syrische kinderen uit hoe ze moeten sjoelen. De 77-jarige Amersfoortse heeft de bak meegenomen van thuis. ,,Het is eens wat anders dan pingpongen en voetballen. Het zijn lange dagen voor de mensen hier, dat kan ik je wel vertellen.’’  Veltkamp’s kleinzoon en dochter draaien ook mee in de poel van ruim 100 vrijwilligers, die crisisopvang van begin tot eind runnen. ,,Prima toch? Mijn moeder moest vluchten in de oorlog met ons als kleintjes. Die verhalen ben ik nooit vergeten. Nu kan ík iets doen voor mensen die alles achter hebben gelaten. Daar hoefde ik niet lang over na te denken.’’ Meer tijd om stil te staan bij het werk van de veelgeprezen vrijwilligers is er niet: in lokaal 10 zit  een hechte groep Syrische Koerden klaar om haar verhaal te doen. Dat het etenstijd is, doet er niet toe. Wie heeft het nog over een maaltijd als het gaat over oorlog, leven, dood, hoop en vrees, zegt de 53-jarige Osman Balkilo. De beminnelijke eigenaar van een kledingwinkel in Asrafi is een gevierd muzikant in zijn geboortestreek. Hij zingt vanavond een weemoedig lied over zijn vaderland, zichzelf begeleidend op een arabisch snaarinstrument. De mannen in de kring zingen zachtjes mee. Osmans dochter Roulev bekijkt haar vader met een liefdevolle glimlach. Omdat ze Engels spreekt ging de 22-jarige studente wiskunde als enige kind uit het gezin mee op de vlucht naar Europa. Zo worden de keuzes gemaakt, zegt Osman. Roulev had no life in Syrië, vertelt ze. ,,Ik was altijd bang. Het was altijd oppassen voor geweld en kogels. Ik wil zó graag weer kunnen studeren. Ik doe alles om snel Nederlands te leren.’’

In de kring van mannen in lokaal tien zit één vrouw, Zhra Shgali. Ze vluchtte uit Syrië met éen zoontje, haar man en twee andere kinderen achterlatend. ,,Hij heeft een handicap waardoor hij niet goed kan lopen. Daarom hebben we besloten dat ik zou gaan’’, vertelt de Syrische met zachte stem. De vraag hoe ze het volhoudt, is er een te veel. Zhra slaat huilend de handen voor haar gezicht. Roulev troost haar.

 

bron: Amersfoortse Courant/ Marco Willemse